Column

Digibordperikelen - Peter van 't Riet - 2010
Column bij Nieuwsbrief LICTO nr. 35

Ik heb een begeleidingsgesprek met enkele studenten voor het onderzoeksgedeelte van hun masterthesis voor onze masteropleiding Leren en Innoveren. In de hoek van het lokaal waar we ingeroosterd zijn, bevindt zich een digibord met aan het plafond een gekooide beamer. Uit het schakelpaneel onder het digibord steekt een kabel en de verbinding met mijn laptop is snel gemaakt. Maar hoe krijgen we de beamer nu aan de praat? Ik heb geluk. Een van de studenten is toevallig ook nog docent aan mijn eigen hogeschool én hij is lang! Hij strekt zich uit, steekt een van zijn vingers door een van de gaten van de beamerkooi en floep daar gaat de beamer aan. Je moet het maar weten en… je moet maar lang genoeg zijn. Hoe doen kleine docenten die in zo’n lokaal lesgeven, dat? Klimmen zij op een stoel of op een tafel om de beamer aan te zetten?
 

’s Middags houd ik als gastdocent een praatje voor een andere groep masterstudenten. Weer zitten we in een lokaal met een digiboard en een gekooide beamer. Maar dit maal staat er in de hoek van het lokaal een zwarte kast ter grootte van een koelkast. Als de deur open gaat, vertoont zich een indrukwekkende hoeveelheid knopjes, schuifjes, lampjes en contactjes. De laptop is weer snel aangesloten, maar nu het digiboard en de beamer nog. Wat mijn gastheer en gastvrouw ook proberen, niets helpt. Nogmaals heb ik geluk. Ook nu bevindt zich onder de studenten een docent aan onze eigen hogeschool. Die weet dat er verderop in de gang ene Anton zit die onderwijsondersteuner is. Terwijl Anton wordt opgespoord, begin ik alvast het gesprek met de groep op gang te brengen. Even later zie ik in mijn ooghoek Anton Haitink enkele handelingen verrichten met als resultaat dat digiboard en beamer aangaan. Geweldig! Nu kan ik tenminste enkele dia’s vertonen om de studenten een beetje structuur in het verhaal te bieden.

Zoveel geluk als ik had op die bewuste vrijdag, had collega Willem van der Vegt niet bij een van zijn lessen. Nu moet ik zeggen dat Willem niet de eerste de beste docent is als het gaat om ICT en onderwijs. Hij is o.a. informatica docent en was een van de acht docenten die vorig jaar een presentatie gaven op de minisymposia van het lectoraat over gebruik van ICT in het onderwijs. Naar aanleiding van Nieuwsbrief 34 met het verhaal over de digiborden, mailde Willem het volgende.
“Afgelopen dinsdag had ik het 7e en 8e uur les in ons lokaal met digiboard. Ik had een les voorbereid waarin het daar aanwezige smartboard een belangrijke rol zou moeten spelen. Ik ben 15 minuten voor aanvang van mijn les naar het lokaal gegaan om een en ander aan te zetten. Hoewel de kabels voor zover ik kon zien goed genoeg vastzaten, ging het bord aan, net als de PC, maar verscheen er geen beeld. Volgens aanwijzingen in de kast heb ik het centrale meldpunt gebeld. Veertig minuten na het begin van mijn les kwam er een conciërge die, na veel gerommel met de kabel, een en ander aan de praat kreeg. Daarna moest ik nog.

inloggen en de hele opstartprocedure van Sharenet, het smartboard e.d. doorlopen voor ik het bord kon gaan gebruiken. Effectief had ik toen nog ruim een half uur in plaats van de anderhalf uur die ik had voorbereid. Natuurlijk had ik een plan B. Maar ik vond dit een blamage. Mijn voor de hand liggende reactie is om het maar niet meer te proberen. We werken binnen de lerarenopleiding aan een kennisbasis ICT voor onze studenten, maar de spullen en de ondersteuning op orde? Ho maar!” Vervolgens stelt Willem een paar belangrijke vragen en verwoordt hij fraai de vrees die veel docenten in onze instellingen nog altijd hebben als zij op weg gaan naar een lokaal met een digibord. “Van wie zijn deze smartboards? Wie is er op aan te spreken? Voor diegene heb ik de volgende vragen: Hoe kunnen we garanderen dat de spullen technisch op orde zijn? Wie kan ik bij onverhoopte storingen bellen zodat er binnen vijf minuten een probleem wordt verholpen? Wanneer is de opstarttijd van deze smartboards met bijbehorende PC’s teruggebracht tot een minuut of minder? Wanneer worden de kasten zo ingericht dat je plug-and-play van je laptop gebruik kunt maken? Ik begeef mij met mijn lesplanning buiten mijn comfortzone. Niet omdat ik geen idee heb hoe ik deze technologie kan inzetten. Wel omdat ik nooit kan voorspellen óf ik de technologie kan inzetten. Na een paar faalervaringen trek ik me uiteraard weer terug op veilig terrein. Maar dat is jammer van de mogelijkheden.”

Illustreert Willem zijn verhaal de digibordperikelen waar docenten mee te maken hebben als zij al pogen het digibord in hun lessen te gebruiken, collega Geert Bouw legt in zijn reactie op de nieuwsbrief de vinger op nog een andere zere plek. “In de discussie die we destijds voerden rond de invoering van de smartboards, stelde ik dat als een docent gevraagd wordt om actief gebruik te gaan maken van een smartboard, hij direct de vraag zal stellen: ‘Kan ik mijn lessen dan ook geven in een lokaal met een (werkend) smartboard?’ Dat was natuurlijk niet te garanderen, omdat in ieder gebouw slechts enkele van die borden zouden komen. Mijn conclusie was: ze zullen niet gebruikt gaan worden. Wel als beamer, maar niet als smartboard. Advies: niet aanschaffen of geconcentreerd in een gebouw monteren zodat een docent zeker weet in zijn lokaal een smartboard te kunnen inzetten.” Het gebeurde zoals Geert had aangegeven. “In mijn gebouw hangt een klein aantal smartboards. Die worden om de hierboven genoemde redenen gebruikt als beamer, niet als smartboard. Kapitaalvernietiging heet dat volgens mij.”

En dan is er nog het probleem van de verschillende soorten digiborden die her en der in de hogeschool hangen. Stel je hebt net uitgezocht hoe het digibord bij jou om de hoek werkt, word je weer in een ander lokaal met een smartboard geroosterd! Sta je weer met je handen in het haar. Digibord? Smartboard? Is dat dan niet hetzelfde? Collega Jan van Stormbroek wijst erop dat digiborden wel vaak “smartboard” genoemd worden, maar dat “digibord” een soortnaam is, terwijl “SMART-board” een merknaam is. Juist! Onze smartboarden hebben heel andere functionaliteit dan de overige digiborden die in de hogeschool hangen. Wees dus gewaarschuwd, docent!

Er kwam een tegengeluid van buiten de muren van de hogeschool. Collega Jaap de Mare, onderwijsconsultant in de MBO-sector, regeerde als volgt op de Nieuwsbrief.
“Vaak wordt er van uitgegaan dat veranderingen [zoals de introductie van het digibord] voort zouden moeten komen uit een visie. Dat kan natuurlijk, maar het heeft ook duidelijke nadelen. Immers, het betekent dat veranderingen pas in gang worden gezet als er een duidelijke visie is wat we ermee willen bereiken. Maar tegelijk is de feitelijke verandering vaak nodig om gevoel te krijgen voor wat we er mee zouden kunnen! Om het voorbeeld van de digiborden te nemen: natuurlijk kun je eerst wachten tot er een visie is op het gebruik ervan. Maar van wie zou die visie moeten komen? Van buitenstaanders, consultants, die wellicht al ervaring hebben met het gebruik van digiborden bij andere instellingen? Dat kan, maar we willen het juist ook graag uit onze eigen organisatie halen. Maar hoe moeten die eigen docenten en managers gevoel krijgen wat je met digiborden allemaal kunt als ze die niet zelf al hebben?”

Jaap geeft vervolgens een voorbeeld uit zijn eigen praktijk: “Ik maak hetzelfde mee bij de inzet van laptops in het MBO (mijn sector), bij projecten waar iedere docent een laptop krijgt en iedere student er een moet kopen. Natuurlijk, voor veel opleidingen is dat in eerste instantie een vlag op een modderschuit. Docenten vragen zich af wat ze er mee moeten en studenten stellen kritische vragen over waarom ze zo'n duur ding moeten hebben. Maar juist daardoor ontstaat er een dynamiek, wordt er gezocht naar goede toepassingen, staat men open bijvoorbeeld voor registraties direct op de laptop (in plaats van eerst op papier en dan later nog eens via de PC van een administrateur). Als we hadden gewacht tot iedere opleiding een omvattende visie had gehad op het gebruik van laptops voordat we ze verplicht hadden gesteld, dan weet ik niet of het er ooit wel van gekomen was. Een bekende wetmatigheid in de economie is immers de 'wet van Say': ieder aanbod schept zijn eigen vraag. En zo is het ook hier. Gewoon beginnen, ervaring opdoen, nieuwe inzichten verwerven, en op basis daarvan bijstellingen plegen. Dat is een innovatiemodel dat het onderwijs past.”

Jaap heeft tot op zekere hoogte gelijk. Hoewel niet zonder risico, kan dat een goede innovatiestrategie zijn, mits het ook een door het management bewust toegepaste strategie is waarbij op de kansen en op de risico’s gestuurd wordt. Maar her en der digiborden in de school hangen en vervolgens niets meer doen en maar afwachten of ze gebruikt worden, is misschien wel digi, maar beslist niet erg smart. Dat de door Jaap genoemde strategie ook bij digiborden succesvol kan zijn, bleek uit een presentatie die ik vorige week bijwoonde van collega Jan Stoffers, directeur van de basisschool De Kolkribbe in Scheerwolde. In zijn school werd zo’n zes jaar geleden “zonder visie” een digibord naar binnen gereden. Vervolgens is het team gaan uitzoeken wat zij ermee zouden kunnen doen en hoe zij het zouden kunnen inzetten om hun onderwijs te verbeteren. Nu staan er in alle lokalen digiborden en maken de leerkrachten er intensief gebruik van om het onderwijs te verrijken.

Voor grote onderwijsinstellingen zoals een hogeschool valt er veel te leren van zo’n voorbeeld. Ten eerste dat je beter teamsgewijs kunt innoveren met docenten, dan collectief voor docenten. Wil je het onderwijs verrijken met ICT, bedenk dan geen plannen die “goed zijn” voor het hele onderwijs, maar stimuleer opleidingsteams om zelf een leerroute uit te zetten die door het team als geheel gedragen wordt. Ten tweede dat je innovatie fasegewijs moet aanpakken. Laat zo’n team eerst eens een tijd op kleine schaal experimenteren met de nieuwe digitale hulpmiddelen waarvan zij zich ook eigenaar voelen. Als daar interessante dingen uitkomen en het team verder wil, dan kun je met ze gaan opschalen. Zorg dan wel dat er budget is om op te schalen, want anders is de animo snel verdwenen. Ten derde dat elk team de keuze voor ICT-gebruik moet maken die het beste bij hen en bij hun onderwijs past. Voor het ene team zullen dat digiborden zijn, voor het tweede team zijn dat laptops, terwijl het derde team wellicht voor smartphones of nog iets anders zal kiezen. En organiseer daar flexibele ondersteuning bij met meerdere Anton Haitinks om de hoek en met workshops over didactisch gebruik van ICT. En dat laatste staat in Windesheim gelukkig op stapel. Er gloort dus hoop achter de digihorizon.

Collega Jan van Stormbroek, die jarenlang gedetacheerd is geweest bij Kennisnet (ICT op School), heeft voor de Corporate Academy van Windesheim een serie workshops “ICT in het onderwijs” ontwikkeld voor docenten en onderwijsondersteuners. Een van die cursussen heeft als onderwerp: “Didactisch gebruik van het SMARTboard”. En nu maar hopen dat je ook als gebruiker van gewone digiborden daar iets van kunt leren. Deze cursussen kunnen er in elk geval aan bijdragen dat een didactische lacune wordt opgevuld met betrekking tot ICT in het onderwijs. Dan zou er alleen nog eens een initiatief moeten komen om de usability van al die apparatuur te verbeteren. Daar zijn usability-specialisten voor, maar door te luisteren naar docent-gebruikers kun je ook al ver komen.
Tot slot. Nieuwsbrief 34 van het lectoraat heeft veel stof doen opwaaien. Niet iedereen in de hogeschool was daar gelukkig mee. Dat begrijp ik ook wel, maar voor mij zijn twee zaken van belang. Ten eerste is het probleem van de digiborden er niet alleen een van Windesheim. Veel onderwijsinstellingen worstelen ermee. Ten tweede is het mijn overtuiging dat openheid, ook als die soms pijn doet, de beste garantie is voor kwaliteitsverbetering. Van je fouten moet je tenslotte leren. Graag zou ik dan ook de komende maanden een aantal succesverhalen over onderwijs met digiborden willen publiceren bij de Nieuwsbrief van het lectoraat. Wie schrijft ze?

P.S. Wie meer wil weten over de leeractiviteiten op het gebied van ICT en onderwijs georganiseerd door de Corporate Academy van Windesheim kan contact opnemen met Linda Hendriksen (088-469 9136).