Column

Het einde van de standaardtaal : Een uitdagend boek - Peter van 't Riet - 2008
Boekbespreking

Omdat ik geïnteresseerd ben in het verschijnsel standaardisatie in het algemeen en binnen het onderwijs in het bijzonder viel mijn oog enige tijd geleden op het boek “Het einde van de standaardtaal : Een wisseling van Europese taalcultuur” van de hand van de Leuvense hoogleraar Joop van der Horst. In dat boek betoogt de auteur dat we in het huidige tijdsgewricht het einde van een taalcultuur meemaken die opkwam met de Renaissance en vanaf halverwege de 19e eeuw weer aan het afbrokkelen is.

Die renaissance taalcultuur wordt gedomineerd door de schrijftaal en kenmerkt zich door een neiging de taal steeds verder te standaardiseren. Een belangrijke factor daarbij (hoewel niet de enige) is de uitvinding van de boekdrukkunst geweest in 1450. Deze nieuwe benadering van taal, die tussen 1300 en 1600 tot ontwikkeling kwam, heeft ten opzichte van de Middeleeuwen de volgende veranderingen gebracht:

- Het continuüm dat taal over de hele wereld vormde en nog steeds vormt overigens (wereldwijd vloeien plaatselijke dialecten op een “natuurlijke” manier in elkaar over), werd als het ware herverkaveld door een van die dialecten (meestal dat van de hoofdstad) tot standaardtaal te verheffen.
- Met de opkomst van nationale standaardtalen (Duits, Engels, Frans, Italiaans, Nederlands etc.) verdween de rol van het Latijn (nog tot ver na de Middeleeuwen de intellectuele lingua franca van Europa) naar de marge van de samenleving.
- De nieuwe nationale standaardtalen werden steeds verder “beschreven” (dat wil zeggen voorgeschreven!) door middel van grammatica’s, woordenboeken, nieuwe woordconstructies en spellingsvoorschriften.
- Hardop lezen, in de Middeleeuwen gebruikelijk, werd steeds meer vervangen door stil lezen waarvan de snelheid door de geüniformeerde spelling bevorderd werd.
- In de loop van de 18e en 19e eeuw vatte de gedachte post dat de standaardtaal de enige echte taal van het volk was, die het volkskarakter mede bepaalde, en dat afwijkingen ervan latere, ongewenste deformaties zouden zijn (een romantische opvatting die zich gemakkelijk kon ontwikkelen tot een nationalistische idee).
- Hoewel de aandacht voor de uitspraak pas laat op gang kwam, is men in de 19e eeuw ook die gaan standaardiseren met behulp van gestandaardiseerd fonetisch schrift.
- Vertalingen moesten steeds beter aansluiten bij de ontvangende taal, wat geen probleem zou moeten zijn, omdat men geloofde dat elke gedachtewereld in elke taal kon worden uitgedrukt.
- Het beheersen van de standaardtaal werd steeds meer het entreebewijs tot de samenleving en ieder die de standaardtaal niet volledig beheerste, werd gezien als onderontwikkeld.
- Dientengevolge begon het onderwijs steeds meer tijd en energie te steken in het leren van de eigen standaardtaal en die van de omringende landen, waarbij dat taalonderwijs zich tot voor kort vooral richtte op de geschreven taal.

Van der Horst laat met tal van voorbeelden zien dat deze taalcultuur, die een sterk normatief karakter heeft, vanaf halverwege de 19e eeuw aan het kantelen is. Daarvoor in de plaats komt een meer empirische benadering waarin taal meer en meer gezien wordt als een natuurlijk verschijnsel. Er is aandacht gekomen voor gesproken taal, voor dialecten, voor taalverandering, voor overgangsverschijnselen tussen talen, taalvermenging etc. Taal is bovendien technisch hoorbaar geworden (grammofoon, telefoon, bandrecorder). Maar bovenal is taal niet langer voornamelijk een zaak van een maatschappelijke bovenlaag. Door de massa-educatie, vooral na de Tweede Wereldoorlog, is de standaardtaal, zowel de geschreven als de gesproken taal, steeds meer onder druk komen te staan van de volkstaal.

Ook het taalonderwijs is niet aan die kanteling van taalcultuur ontkomen. Vandaag wordt in het taalonderwijs veel meer tijd besteed aan gesproken taal, aan begrijpend lezen, aan productief schrijven, aan mondelinge uitdrukkingsvaardigheden, aan presenteren etc. Is het dus een wonder dat in het huidige onderwijs de typische aspecten van de gestandaardiseerde talen, zoals grammatica en spelling, niet meer zo uit de verf komen als vroeger het geval was? Waarom al die treurnis over leerlingen die de standaardspelling niet meer volledig beheersen, maar zich verder uitstekend kunnen redden in de wereld?

De moderne communicatiemiddelen doen daar nog eens een schepje bovenop. Geschreven taal is niet voornamelijk meer iets van het werk, de school of van ’s avonds een brief schrijven achter je bureau. Naast gesproken taal is ook geschreven taal tegenwoordig iets van elk moment van de dag geworden (sms, e-mail, chat etc.). En in dat moderne maatschappelijke verkeer verliest de standaardtaal een groot deel van zijn functie als entreebewijs tot sociale en economische verbanden.

Computers zullen die ontwikkeling verder doorzetten. Neem bijvoorbeeld de lexicografische ordening. Die was een typische uitvinding van de Renaissance. Zo ordende de middeleeuwer niet. Die plaatste dieren bij dieren en gebouwen bij gebouwen. De lexicografische ordening zou in de ogen van een Middeleeuwer volstrekte chaos zijn geweest. Niet echter voor de Renaissancer die veel preciezer met taal omging. Vandaag wordt die vorm van informatieordening echter steeds minder belangrijk. Met computers worden lemma’s heel anders of helemaal niet geordend en in elk geval langs heel andere wegen opgezocht. Helemaal verdwijnen zal de lexicografische ordening niet, maar als dominant ordeningsprincipe heeft zij haar langste tijd gehad. En zo is het met veel zaken uit de gestandaardiseerde renaissance taalcultuur.

Waar dit alles toe leidt? Dat is minder gemakkelijk te zeggen. In elk geval naar een veel grotere fragmentering van taal als maatschappelijk verschijnsel. Is dat bedreigend? Voor wie zijn ziel en zaligheid aan de standaardtaal verpand heeft en een renaissance cultuurideaal nastreeft wellicht wel. Maar voor wie taal ziet als een zich ontwikkelend fenomeen werkt het boek van Van der Horst heel ontspannend.

In “Het einde van de standaardtaal” vind je veel prachtige voorbeelden van taalgebruik in de Middeleeuwen en tijdens en na de Renaissance. Ook brengt het boek de omslag in taalcultuur vanaf de 19e eeuw met veel voorbeelden tot leven. Het boek is goed leesbaar voor niet-filologen zoals ik. Het is bij flarden zelfs meer in spreekdan in schrijftaal geschreven. Het enige minpuntje is dat er nogal wat herhalingen in zitten, maar precies op het moment dat die dreigen te gaan vervelen komt de auteur weer met een nieuw interessant gezichtspunt.

Nog een laatste persoonlijke overweging. Haalt een boek als dit nu het hele denken over standaardisatie onderuit? Ik denk het niet. Wel laat het zien dat standaardisatie geen doel op zich is. Standaardisatie is van belang wanneer er in de maatschappij of in een organisatie sprake is van:

- massaficatie (veel zaken of personen moeten in korte tijd dezelfde behandeling ondergaan),
- vergroting van mobiliteit (een groeiende stroom bewegingen moet in goede banen geleid worden),
- groeiende behoefte aan informatie-uitwisseling (grote hoeveelheden gegevens moeten frequent, snel, correct en volledig van A naar B verplaatst worden).

Bij de opkomst van de Renaissance was dat het geval voor de geschreven, en vooral de gedrukte taal. Die was bij uitstek het communicatiemiddel met een hoger dan regionaal karakter. Maar die dominante functie begint geschreven taal in de moderne tijd allengs te verliezen. En standaarden die aan functieverlies lijden, moeten niet krampachtig maar zo nodig met souplesse gehandhaafd worden.

Het einde van de standaardtaal : Een wisseling van Europese taalcultuur. Joop van der Horst. J.M. Meulenhoff : Amsterdam 2008. 374 pag. ISBN 978 90 290 8265 5. € 22,50.